inleiding

“De werkelijkheid als oneindig troostrijk mysterie is verloren gegaan.”

Ik-vorming vormt een centraal begrip in jouw levensvisie. Kun je daar wat over zeggen?
Oorspronkelijk leeft de mens, net als de andere diersoorten, in een directe relatie met de werkelijkheid, vanuit het levende besef dat hij er zelf deel van uitmaakt. Zijn denken is niet meer dan een geavanceerd stuk overlevingsgereedschap, vergelijkbaar met klauwen, tanden, spieren. Dat wordt anders vanaf het moment dat de mensheid ontdekt dat men in het denken kan wonen. Dit hoofdstuk probeert duidelijk te maken wat dat inhoudt. De moderne mens doet het vrijwel permanent, waardoor het aan hem even moeilijk uit te leggen is, als aan een vis wat water is. De moderne mens beleeft zijn leven als denker. Belangrijk voor hem is niet de wereld zelf, maar wat hij erover denkt. Zo belangrijk dat hij het verschil niet kan zien. Hij beleeft ook zichzelf als denker. De Ik of Iemand die wij zijn is een denkproduct.

Wat gebeurt er dan volgens jou?
Het is simpel, maar toch moeilijk, omdat we er zo aan gewend zijn. We beleven niet de werkelijkheid, als het grote, concrete mysterie, maar we destilleren er een levensverhaal uit waarin wij een prominente rol vervullen.

Wij hebben een Ik, een persoonlijkheid, een hoe wij zijn bedacht en dat heilige huis regeert de manier waarop we de werkelijkheid interpreteren. Je wordt Iemand en bent de rest van je leven bezig om die iemand waar te maken. Je leeft (gevoelsmatig) niet meer in de werkelijkheid maar je gebruikt aspecten van die werkelijkheid om je verhaal over jezelf en de wereld verkoopbaar te maken. Aan anderen en aan jezelf. Als iemand dat even kan laten, zoals Kees van Kooten toen hij Veertig schreef, is dat zo’n verademing. Heerlijk boek.

De tragiek van de ego-centrische mens is dat hij zijn leven niet beleeft. Hij maakt zich druk over redenen, gevolgen, rechtvaardigingen van zijn handelen, over wat hij had kunnen of zou moeten doen. Soms strijkt zijn ego even neer bij zijn lichaam in het nu, om onmiddellijk daarop al weer weg te fladderen, de denkruimte in. Zijn bestaan lost weer in gedachten op, in de spannendheid van zorgen, hoop en wanhoop, of de veiligheid van gewoontes. Hierdoor wordt ons leven kleinzielig en ten diepste zinloos.

Wat is nog meer kenmerkend voor die Ik-vorming?
Onbevangen kijken is geen haalbare kaart meer. We kijken niet om te zien, maar ter wille van de verificatie van denkprocessen. Ook om schijnbaar simpele waarneming hangt een wolk van willen, moeten, beoordelen en vergelijken. We vangen de werkelijkheid in woorden, namen.

In tegenstelling tot wat een vogelboekje zegt, namelijk dat we beter kijken als we de naam kennen, zie ik het gevaar daarvan. We kijken anders, als deskundige, niet met paradijselijke onschuld als op de scheppingsdag. Het woord is als een buks waarmee het vogeltje uit de boom naar de weitas van het denken, de herinnering, wordt overgebracht, zodat de verrukking overgaat in egovoedsel: vertelbaarheid, herinnerbaarheid, kennerstrots. We kunnen niet thuiskomen met het verhaal dat we ‘een vogel’ gezien hebben, maar wel met een ‘scholekster’ of een ‘watersnip’. Het woord heeft weliswaar het voordeel dat het vogeltje blijft leven, maar het doodt wel met grote trefzekerheid ons beleefvermogen, dat zich van de werkelijkheid afwendt en zich weer met het eindeloze thema van de eigen bestaansrechtvaardiging gaat bezighouden.

In de woorden van Vroman:

“En met de dingen heb ik medelijden:/ ze zijn bedekt met korsten knap bereide/ woorden (…)”

Rilke gaat nog verder. Het gedicht dat begint met de regel: “Ich fürchte mich so vor der Menschen Wort” eindigt met: “Ihr bringt mir alle die Dinge um.”

Ons waarnemen gaat over in oordelen, denken in goed en verkeerd; we zijn het grootste deel van de tijd – bewust of onbewust – bezig met het beoordelen van onszelf en de wereld om ons heen.

Belangrijke ingrediënten in de denkwereld zijn benijdenswaardigheid c.q. het beter af willen zijn dan een ander. En dat noemen we vervolgens ‘ik ben blij dat ik…’

‘Blij dat’ is niet blij.

We laten ons wijsmaken dat er zoiets als morele rechten bestaan en komen om van frustratie, wrok en wanhoop, als de werkelijkheid daar nooit van gehoord blijkt te hebben. De goede bedoeling, in de denkwereld hoog aangeschreven, maakt alle contact met het echte, met de substantie van het leven, onmogelijk. Een van de wonderlijkste dingen aan de mens is, dat hij kans ziet om dit soort feiten ook nog voor zichzelf verborgen te houden.

In de woorden van Kierkegaard (vrij vertaald):

“Maar ondanks het feit dat een mens op die manier een product van zijn fantasie geworden is en daardoor vertwijfeld, kan zo iemand heel goed verder leven, schijnbaar een mens zijn, bezig met de gewone aardse zaken, kan hij trouwen, kinderen grootbrengen, eer en aanzien genieten, – en men merkt er misschien niets van dat hij in diepere zin niet bestaat. Van zoiets maakt men in de wereld weinig ophef, want innerlijke autonomie is een artikel waar in de wereld geen vraag naar is en ook iets waarvan het erg gevaarlijk is, te laten merken dat men het heeft. De grootste ramp, het verlies van het autonome beleefvermogen, kan in de wereld zo stil passeren alsof het niets is. Geen verlies gaat zo onopgemerkt voorbij; ieder ander verlies, van een arm, een been, vijf rijksdaalders, een echtgenote, wordt wel opgemerkt.”

Wanneer we vanuit een bedachte identiteit gaan leven, verandert de aarde van een paradijs in een oord der verschrikking. In Genesis 3 wordt dit mooi beschreven: de mens leeft in het paradijs, zolang hij zichzelf niet beoordeelt. Wanneer God zegt dat de kenner van goed en kwaad “voorzeker sterven zal” en de slang daarentegen verzekert: “Gij zult geenszins sterven,” dan hebben beiden gelijk. De Ik-mens leeft wel door, maar sterft als belever van het echte. Hij wordt een robot, in de ban van de obsessie dat hij een succes, in enigerlei opzicht ‘goed’ moet zijn.

Ook de uitspraak van de slang “gij zult als God zijn” is juist. De mens die zijn identiteit voor het bedenken heeft, doet het niet voor minder. Het zijn geen kleine krachten die ons uit het paradijs verdrijven en de werkelijkheid onzichtbaar en onbereikbaar maken.

Waarom doen we dit, waarom leven we zo?
Zie de enorme voordelen ervan. Doordat we, zo levend, schijnbaar zelf bepalen wat belangrijk is en wat niet, doordat we kunnen selecteren en interpreteren, krijgen we macht over ons leven. We kunnen ons belangrijk gaan voelen. Zodra we onszelf als denker, als Ik ervaren, krijgen we de beschikking over een soort toverstaf, waarmee we onze wereld in zeer veel opzichten naar onze hand kunnen zetten. Juist omdat we onszelf voor het verschil tussen de werkelijkheid en de denkwereld blind gemaakt hebben. De illusie dat deze twee samenvallen weet zich snel onmisbaar te maken. Je kunt in je hoofd allerlei dingen doen en op een heleboel plaatsen tegelijk zijn.

Het verschijnsel schuldgevoel laat zien hoe we het ego beschermen. Je doet in de werkelijkheid het ene, en tegelijk probeer je ook nog een alternatief in stand te houden door je schuldgevoel: “Eigenlijk ben ik…” Op die manier bedenk je een persoon die alleen in je hoofd bestaat. Hoe onaangenaam schuldgevoel ook is, deze mogelijkheid om ons zelfbeeld intact te houden zouden we niet graag missen. De wens om iemand te zijn, ijdelheid, kruipt door de kleinste gaatjes.

Wat is er in de denkwereld te beleven?
Bar weinig. Een zo beleefd leven kenmerkt zich door angst en saaiheid. Er moeten attracties komen. Het bedachte Ik moet waargemaakt worden. Deze attracties verzorgt het brein door de invoering van goed-definities. Zodra aan mijn handelingen iets goed kan zijn, valt er met mijn leven te scoren en wordt het verblijf in de denkwereld spannend. Het denken leeft van zorgen en problemen en maakt in het lichaam de bijpassende gevoelens van: vertedering, hoop, wanhoop, frustratie, schuld, haat… Dat is uit het denken afkomstig gevoel. Deze gevoelens verschillen fundamenteel van een ander soort vreugde en lijden, gevoelens die bij een situatie als geheel horen, niet op bestelling van het denken leverbaar zijn en het ego niet profileren.

Maar in de denkende staat beleef je je eigen leven als een spannende roman met een hoofdpersoon genaamd Ik. Als je hiermee begint, als kind, lijkt het zo’n goed idee, jezelf bedenken. Maar al gauw blijkt de duivelse afkomst van dit cadeautje. In plaats van de naïeve zelfverering van het jonge kind komen er al snel gedachten over eigen tekortschieten.

Meestal kom je tot de conclusie dat je niet deugt: met een soort maniakale hartstocht stellen we vast hoe lelijk, dom, niet-creatief etcetera we zijn. Zonder zelfhaat is het Ik niet te handhaven. De narcistische mens onttrekt dit onvermijdelijke inzicht met een laagje zelfbewondering aan het oog. De bijbehorende angst en wanhoop, die Kierkegaard ‘vertwijfeling’ noemt is een gevolg van onze fantasieën over het zelf, over wat we zouden moeten zijn.

Ik zie de mensen
Als meubilair van mijn wereld
Ze schijnen het niet te merken.
Doen zij het soms ook?

Kun je zeggen wanneer dat Ik ontstaat in ons leven?
Nou, het frappeert mij dat het rond het vijfde jaar wel in een stroomversnelling komt.

Als het kleine kind tekent, dan tekent het ook echt; het is niet via het tekenen eigenlijk bezig met beoordeeld worden. Het kleine kind treedt de werkelijkheid onbevangen en argeloos tegemoet, bereid om van alles wat er is, zonder woorden, zonder redenen te genieten. Als het vervolgens enthousiast zijn tekening laat zien, zijn de reacties van de omgeving bouwstenen van een identiteit, een Iemand: “Wat kan jij goed tekenen.” Kinderen groeien op in een cultuur van vergelijken, van concurrentie. “Ik heb een lekker koekje” verandert in: “Ik heb lekker een koekje.”

Wat er gebeurt is, dat het kind ophoudt op de werkelijkheid als geheel te reageren, het gaat naar binnen kijken. Het kind ontdekt de macht, de bewegingsvrijheid van de denkruimte, vooral als het leert lezen. Het leert de geneugten, de spanning en opwinding kennen van de denkmogelijkheden. Het gaat enthousiast aan de slag met dit geschenk van de duivel, waarvan het de nadelen niet kan overzien. De werkelijkheid als oneindig troostrijk mysterie gaat verloren.

Uit het Thomas Evangelie 113:

Zijn discipelen zeiden tot Hem:
Wanneer zal het Koninkrijk komen?
Jezus zei:
Het komt niet door het te verwachten;
zij zullen niet zeggen: Zie hier, of: Zie daar.
Maar het Koninkrijk van de Vader
is verspreid over de aarde
en de mensen zien het niet.

De mensheid is tot denken gedoemd in onze cultuur. Toch lijkt het alsof je een alternatief ziet?
Ja, er is een ander soort beleven. Vroeger, als kind, hebben we dat gedaan. Het is een zegen als we ons daar iets van kunnen herinneren. De sfeer van levensintensiteit en echt ingaan op de dingen. Wij vinden die kinderlijke verwondering mooi in anderen, in kinderen of kunstenaars, we vangen iets van die warmte ervan op. De wereld van het echt bestaande is een groot wonder; de dingen zien staan, dat is de grootste kunst.

Vraag het een druggebruiker, of iemand die een bijna-dood-ervaring heeft meegemaakt. Die beschrijven hoe alle gangbare waarderingen van een gebeuren hun geldigheid verliezen, en er een soort waanzinnige volheid van beleving optreedt, zodat er ineens geen twijfel meer is aan de zin van het leven. Overal waar delen van de hersenen die aan de omzetting in gedachten meewerken worden aangetast, vindt men dit soort getuigenissen.

Dit is ook de beroemde inspiratie waarvan kunstenaars getuigen, een zieleroersel met ongelooflijke kracht. Het is uit de mode, de kunstenaar rept er zelden meer van, en dat is aan zijn producten dan ook goed te merken.

Iets voor een elite?
Het geheel, het echte, beleving van de werkelijkheid overkomt iedereen. Maar als het gebeurt, is ons denken er als de kippen bij om het als ‘onbelangrijk’ te verwerpen. Het denken schakelt gedachte aan gedachte om ons Iemand-zijn op de voorgrond en het werkelijke onzichtbaar te houden.

Maar er blijven altijd spleten over, waar het licht van het echte, onbedachte doorheen schijnt. We zien een plantje, een stoplicht bij avond, een wolkenlucht. We leren zien waar schilderkunst en literatuur over gaan. Mits het probleem voor ons gaat leven.
Uit I.B. Singer, The Letter Writer:

Door het raam werd een grauw licht zichtbaar. Er viel sneeuw, een vroege-ochtendsneeuw. Plekken waar het al dag was en waar het nog nacht was begonnen buiten in elkaar over te vloeien. Er verschenen wolken. Ramen, daken en brandtrappen doken op uit het duister. Lichten gingen uit. De nacht was als een droom geëindigd en werd opgevolgd door een raadselachtige realiteit, in zichzelf gekeerd, verzonken in het mysterie van het bestaan. Een duif vloog door de vallende sneeuw, vervuld van het uitvoeren van zijn missie. In de radiator floot de stoom al. Uit de appartementen van de buren waren de eerste kreten van ontwaakte kinderen te horen, het geluid van radio’s en geteisterde huisvrouwen die schreeuwden en vloekten in het Spaans. Opnieuw was het hemellichaam genaamd Aarde om zijn as gewenteld. De ramen kleurden roze – een teken dat in het Oosten de lucht niet helemaal bewolkt was. De boeken werden een tijdlang in een purperen gloed gedompeld, die de oude ruggen en de overblijfselen van goudgestempelde en halfleesbare titels verlichtte. Het had allemaal het karakter van een openbaring.

Alleen echte hartelijkheid kan de individuele mens en de mensheid redden. En die hartelijkheid kun je niet op het programma zetten.

De ‘transformatie’ is dat je jezelf (je zelfbeeld) niet meer aan een ander wilt verkopen, dat je een onpartijdige belangstelling hebt voor de waarheid. Dat betekent ook bereidheid om je echte gevoel te voelen.

Als het nou zo heerlijk is om iets te beleven en te voelen en te kijken: waarom doen mensen dat dan niet gewoon?
Omdat het ontzettend veel angst oplevert. Niet toevallig loopt de gebruiker van bewustzijnsverruimende middelen het risico van een ‘bad trip’, van een activering van zijn angsten doordat de ontremming een verkeerd gebiedje heeft uitgekozen.

Als mensen in een gekkenhuis komen omdat ze iets gevoeld hebben, zoals bijvoorbeeld Biesheuvel dat beschrijft, dan is er altijd veel angst.Van pure paniek hebben ze de neiging de boel kort en klein te slaan. Het zijn onze angsten en wanen die zij voelen en die wij verdringen, ten koste van alle echte gevoel. Het is ontzettend eng om met de werkelijkheid in een direct contact te komen.

Wat is daar zo eng aan?
Je gelooft dat je al die trucjes, al die denk-dingen over jezelf, dat je die echt nodig hebt, dat het veel te gevaarlijk is om je zonder dat harnas van gedachten over hoe je bent zomaar in de wereld te wagen. Het doet denken aan vrouwen die zonder make-up de straat niet op durven. Het is een soort harnas. En je bent je grandeur kwijt, je wordt een heel gewoon beestje, heel onbeduidend. Dit simpele inzicht moet tegen iedere prijs buiten de deur gehouden worden, tegen alle dagelijkse evidentie in. Anderen, die hetzelfde belang hebben, steunen ons hierin.

Op nul gaan staan, als niemand zijn, alleen leven van wat de situatie in het Nu te bieden heeft, daar beginnen we niet aan. De Ik-mens is soms wel bereid zich schuldig te voelen dat hij niet of nauwelijks in het Nu verkeert en maakt daar vervolgens een toekomstplan van. Ooit zal het hem lukken. Maar nu even niet.

Met deze verwachting gaan we de kist in.

Wanneer is de mens op het idee gekomen, zichzelf te bedenken?
Waarschijnlijk rond 1500 voor Christus, in Mesopotamië en het is omstreeks het jaar 0 voorlopig afgerond. Hiervoor zijn diverse aanwijzingen, waarvan voor mij de meest directe en overtuigende te vinden zijn in de Egyptische beeldhouwkunst. Men ziet hier een totale onbevangenheid en noblesse in de begintijd, die ongeveer ten tijde van de achttiende dynastie voor een duidelijk zuiniger soort knapheid plaatsmaakt. Een ander kenmerk van Ik-ontwikkeling is zinloze wreedheid, die je een paar honderd jaar voor Christus ziet ontstaan. Er zijn veel meer aanwijzingen.

Mozes heeft met zijn Tien Geboden gezorgd voor algemeen geldige spelregels, een soort standaardisatie van goed-definities. Niet langer bepaalde ieder voor zich waarmee gescoord kon worden, maar de spelregels werden vastgelegd, zoals dat bij nieuwe sporten gebeurt. Een logisch vervolg op het eten van de boom der kennis van goed en kwaad.

De Joden gingen hierin nog veel verder, met hun honderden wetten en voorschriften – allemaal mogelijkheden om ‘het goed te doen’. Het merkwaardige is, dat ze door deze overdrijving juist weer wat vrijheid gered hebben. Waarmee ze weer de haat opwekten van volledig doorgeprogrammeerde mensen als de nazi’s.

De Ik-kijkwijze heeft zich als een olievlek over de aarde uitgebreid. Daarbij bleven bepaalde gebieden door ontbrekende communicatie voorlopig buiten schot. Getuigenissen over de Noordamerikaanse Indianen tot halverwege de negentiende eeuw maken gewag van een gemakkelijk als Ik-loosheid herkenbare, argeloze noblesse. Tot in het begin van de twintigste eeuw is typisch Ik-loos gedrag bij de Eskimo’s waargenomen, met als vaste symptomen: gastvrijheid, groot incasseringsvermogen voor pijn en een ontspannen houding tegenover de dood.

Kom je deze filosofie ook tegen bij andere filosofen?
Als reactie op de vroege Ik-ontwikkeling staan er profeten op die min of meer in de gaten hebben wat er zich afspeelt en daartegen waarschuwen: Zoroaster, Socrates, Jezus, Buddha, Lao Tse.

Ook de meest hemelse bloem
Haalt zijn sap uit de grond.
Slechts die actie heeft zin
Die uit stilte ontstond.
Wie leeft moet bewegen,
Maar blijft in het nu,
Als een wandelaar in de regen
Onder zijn paraplu.
De edelste doelen,
De fraaiste resultaten
Verleiden hem niet
Het Nu te verlaten.

Maar een glorieus heerser,
Gelukkig, tevreden,
Zegt die niet: “Ik bén er,
En niet slechts in het heden?”

Zo’n woord is lichtzinnig
En klinkt te luid:
Het verstoort de grond van stilte
Waaraan noblesse ontspruit.

Op een gegeven moment begint het allemaal op zijn plek te vallen. Er zijn sleutelpassages in de bijbel, bijvoorbeeld, waarbij je denkt: dat zegt Christus, dat zegt zo iemand, dat klopt.

Zoals?
Zoals: “Hij heeft het voor de wijzen verborgen gehouden en aan de kinderkens geopenbaard.” Een denker, een filosofische denker, die verzint dat niet.

Het authentieke geluid klinkt ook in: “Zalig zijn de zachtmoedigen want zij zullen de aarde beërven.” Zachtmoedig zal hier ongeveer hetzelfde als nederig betekenen. Dit is waar dit stuk over gaat. Let op: zij beërven de aarde. Ook opmerkelijk is het verhaal waarin moeder en broers van Jezus arriveren en met hem spreken willen. Jezus’ antwoord is compromisloos: “Wie zijn mijn moeder en mijn broeders?” Familiebanden zijn denk-banden die met echte liefde niets te maken hebben. Het is vermomde angst, behoefte aan veiligheid.

Een heel ander type profeten identificeert zich juist wel met het zelfbedachte Ik en werpt zich op de formulering van de spelregels. Hieronder vallen Confucius, Mozes en Plato.

En in deze tijd?
Voor de moderne mens is de werkelijkheid wat hij over de werkelijkheid weet. Zijn gevoelens ontleent hij aan gedachten over de werkelijkheid. Sommige filosofen zoals Hegel, hebben dat gemerkt en de conclusie getrokken dat ze de werkelijkheid bedacht hebben of hadden kunnen bedenken. Ook de meeste moderne, vooral Franse filosofen beschouwen het als een vorm van realisme om geen rekening te houden met de substantiële realiteit. Wat we niet bedenken kunnen is volgens deze denkers niet relevant. Op zichzelf is de waarneming dat die structurering door de hersenen ontzettend belangrijk is en praktisch de hele werkelijkheid maakt, volkomen juist, maar de conclusie is de verkeerde, namelijk dat je daar dan maar mee moet werken en het daarvoor moet doen. Wie wel eens een mystieke ervaring heeft, die weet dat zo’n realiteitsmoment qua ‘zinvolheidservaring’ een factor duizend verschilt met die slimmigheden van de denk-mens.

Kierkegaard, filosoof en dominee, was voor mij een belangrijke steun in mijn visie op de wereld. Ook al kan ik met zijn oplossing: geloof en zondebesef, niets beginnen. Wie zichzelf veroordeelt, speelt voor God. Alle geloof is vrijwillige onmondigheid. Maar het volgende fragment had ik zonder Kierkegaard nooit geschreven.

Een mens die zich met zijn zelf geïdentificeerd heeft, die theoretisch geworden is, heeft geen ontzag voor de realiteit.
Hoe men het noemt is niet belangrijk, wel de sfeer waarin men leeft. Men kan God zien als de werkelijkheid, het enige apparaat dat alle informatie bevatten kan, dat alles weet en alles onthoudt en op het enig juiste moment in actie laat komen.

Lieflijk is de realiteit en onverbiddelijk, almachtig en alomtegenwoordig, onomkoopbaar en vergevingsgezind, beschermend en vernietigend, openhartig en ondoorgrondelijk, dus zo ongeveer met alle eigenschappen die godsdiensten aan God plegen toe te schrijven. Allemaal krijgen we de doodstraf, die geen straf is en soms een zegen. Er bestaat zoiets als amor fati, de liefde voor het echte die van alle beoordeling afstand doet.

Krishnamurti is de complete filosoof.

Krishnamurti? 
Dat is een man uit India die een hele vreemde opvoeding heeft gehad. Die moest de redder van de wereld worden en kwam op een gegeven moment tot de ontdekking dat hij dat niet kón worden omdat iedereen alleen zichzelf kan redden. Wat voor goeroes een hele zeldzame stap is. Hij ontvouwt met een zeldzame compleetheid de manier van leven waar dit boekje ook van getuigen wil. Maar ik maak er vaak nog een soort abstracte theorie van en dat is een fout die hij eigenlijk niet maakt. Hij heeft het voortdurend over het directe en over het nu. En zijn boeken zijn ook voor de helft gevuld met natuurbeschrijvingen, die niet bedoeld zijn om de natuur te beschrijven, maar om de aandacht erop te vestigen hoe mooi en hoe belangrijk de wereld is.

Is er nog hoop voor de moderne mens? Kunnen we wat doen?
Nu moet ik zo’n irritant antwoord geven… Van hoop moeten we het nu juist niet hebben. Hoop is de essentie van wat het denken te bieden heeft. Er zit toekomst in en ‘weten hoe men het hebben wil.’ Hoop zuigt onze beleving uit het Nu weg. Waarom zou je je tijd met hopen verdoen? Kijk naar die vogel, luister naar dat kind, voel de wind in je haren, als je nog haren hebt. De toekomst bestaat uit bedachtheden met wisselende waarschijnlijkheid. Het wonder is eruit weggelaten. Het is niet van belang of je morgen in Madrid bent of in Timboektoe. De vraag is: komt het binnen wat je ziet, betekent het iets voor je?

Hoop niets, maar begin meteen met kijken, en zie dat je niets ziet. Dat is het evangelie van de werkelijkheid.