kunstenaars

“Een luciferdoosje schilderen is niet moeilijk, de kunst is, een luciferdoosje belangrijk te vinden”

In jouw gehele visie op het leven nemen kunstenaars een heel belangrijke plaats in. Je zegt in de inleiding dat de wereld van het echt bestaande de inspiratiebron is waarvan kunstenaars getuigen.
Kunstenaars zijn de bondgenoten van iedereen die verder wil kijken dan zijn (denkende) neus lang is. Zij getuigen van de werkelijkheid als wonder en hebben beleving nog niet ingeruild voor   beheersing. Als ze tenminste nog een beetje in leven zijn, wat in deze tijd weinig meer voorkomt. Kunstenaars zijn een uitstervende diersoort.

Echte kunst werkt altijd ik-verkleinend, slimme kunst en snobistisch beleefde kunst is ik-vergrotend.

Credo

De dichters weten wat zij niet weten.
Zij spreken in hun vreemde taal;
zij gaan de dood in tot het begin;
zij ontdekken leven-
en zien de wereld aan met hun
hartstochtelijke onschuld
en veranderen de aarde
in de werkelijke aarde.

Nieuwbouwwijken, tuintjes, woninginrichting leren ons: schoonheid interesseert de mensen geen klap. Reeds als kind verbaasde het mij: ‘echt antiek’ was vrijwel synoniem met mooi’. Was de mensheid verleerd om mooie dingen te maken?   Nu, zestig jaar later, meen ik dat het antwoord bevestigend moet luiden. Sinds de ‘Entzauberung der Welt’, de door Max Weber geconstateerde verdwijning van het gevoel voor het levensmysterie, is er voor echte schoonheid geen belangstelling meer. Het ding hoeft niet mooi te zijn, als het maar functioneel is, dat wil zeggen meehelpt om wensvervulling mogelijk te maken. We vinden het wel vertederend, zoals die mensen vroeger nog de behoefte aan ornamenten hadden, maar ook een beetje onnozel. Wij zijn daaraan ontstegen, we zijn volwassen geworden.

Maar onze partner, onze kleding, onze auto moeten wel mooi zijn. Nu echter betekent ‘mooi’ iets anders. De schoonheid van 400 jaar oude gebruiksvoorwerpen heeft zijn wortel in de aandacht voor de materie, in het nietdenkende contact ermee, in de niet analytische intelligentie. Een antiquair zei bij beschouwing van een moderne imitatie van oud vaatwerk: “Een pottenbakker uit de zeventiende eeuw zou zo’n oortje er nooit zo dom aanzetten”.

Dit soort domheid kenmerkt alles wat de moderne mens doet, terwijl hij in de waan verkeert, juist in levensintelligentie uit te blinken. ‘Mooi’ betekent voor hem dat er een uitstraling van begeerlijkheid moet zijn. Voor dit soort mooi hoeven we de denkwereld (de Ik-ruimte) niet te verlaten, integendeel, onze wensen zijn de basis ervan. Begeerlijkheidsmooi en belevingsmooi behoren tot verschillende werelden die niets met elkaar gemeen hebben. “Het ruisen van de avondjurk klonk alsof het voortdurend zijn prijs fluisterde”. (Erich Kästner).

Dat moet ons toch verbazen: onze onverschilligheid voor de schoonheid of het ontbreken daarvan in dagelijkse dingen naast de grenzeloze aanbidding van een hoge koers op de relatiemarkt. De vrouw wil niets liever dan mooi zijn, waar bij ‘mooi’ op de keper beschouwd niets anders betekent dan dat een neukpartij met haar de man aan sociaal prestige helpt. Schrikbeeld voor beide partijen is het omgekeerde, namelijk dat men zeggen zal: “Kon hij/zij niets beters krijgen?” Carmiggelt beschrijft een personeelsfeest waar een tamelijk subalterne figuur toch hoge ogen gooit door de schoonheid van zijn vrouw. “In bed was hij ze allemaal de baas en dat besef schonk hem reuzenkracht”.

Wat een mooie vrouw is, is ook allerminst duidelijk. Geloof in eigen aantrekkelijkheid lijkt het hoofdingrediënt. Verder moet ze vooralgewoonzijn, zonder opvallende afwijkingen van de norm. Speciaal de neus mag niet opvallend groot zijn, en de borsten niet te klein, althans in de westerse cultuur.

‘Cultuur’ is trouwens een groot woord voor deze kinderachtige preoccupaties. Gandhi reageerde op de vraag: “Wat vindt u van de westerse cultuur?” met: “Westerse cultuur? Dat zou een goed idee zijn!” De scepsis lijkt me terecht.

In ons leven als rat race is er geen ruimte voor noblesse, voor andere waarden dan scoren . Wat wij ‘gevoel’ noemen is een reactie op vaststellingen of we onze zin krijgen of niet. Zowat al onze liedjes gaan over verwachtingen en teleurstellingen in de ‘liefde’. Nietzsche heeft dit type man zien aankomen. ‘Hun hoogste ideaal is het, om bij een vrouw te liggen’.

Een dergelijk ideaal en überhaupt het verwerven van sociaal prestige   kan pas zoveel macht krijgen wanneer het vermogen om mensen, planten, dingen te zien staan verdwenen is en op de TV komen (waar men niets van belang te melden heeft) of het bed delen met een aantrekkelijke partner (die men weinig te bieden heeft) als de zin van het leven gezien wordt.

Als je dit niet gelooft, of te ver vindt gaan, let dan eens op je gevoel ten aanzien van mensen die op deze punten niet scoren: oude mensen, lelijke mensen, kinderen, geestelijk gehandicapten. Fobisch ben je ervan, al weet je het besef van die fobie aardig te verdringen. Het best lukt dat bij kinderen, het resultaat heet vertedering. We vinden het kind schattig, maar onze levensfilosofie wordt er niet door beïnvloed.

Verbaas je eindelijk eens over het feit dat (echte) schilders betrekkelijk zelden mooie meisjes uitkiezen om te schilderen en een soort morbide voorkeur voor het oude en vergane, voor sociale outcasts aan de dag leggen. Of ze schilderen een mand uien, of drie appels op een schotel. Mijn God, wat moeten we daarmee?   Zolang we aan die vraag niet serieus begonnen zijn (omdat begeerlijkheidsmooi alle mooi is dat wij kennen) hebben we in een museum niets te zoeken. Klaarheid over dit verband is op zichzelf al vrijheid.

Kunst kan misschien een middel zijn om weer met de werkelijkheid in contact te komen, een brug naar de nietdenkende staat. Kunst is uiteindelijk niets anders dan een getuigenis van de nietdenkende staat. Maar wat er meestal gebeurt is het omgekeerde: kunst en kunstkennerschap worden ego-bestanddelen. De denkmens probeert dit gebied met zijn slimheden te annexeren. Moderne kunst hangt van de slimme bedenksels aan elkaar.De treurnis hiervan inzien is feest.

Bij de afbeeldingen

picasso

Wat een duivelse tekening! Waarom moet de Ridder van de Droevige Figuur zo meedogenloos gepakt worden?   Zien jullie dat, lieve mensen, hoe iedere lijn hoon ademt? Die dwaze fierheid, zowel bij het nobele ros (meer skelet dan paard) als bij zijn meester. Wat moet die quasiheld bij Picasso veel losgemaakt hebben, dat hij er zoiets prachtig-gruwelijks van maakt. Knullig zijn de zon en het ezeltje van Sancho Panza getekend, maar ze scheppen juist daardoor de juiste sfeer. Ik vind deze tekening een feest om naar te kijken, elk onderdeel is zo subliem raak, maar ik vind  het oordeel te onbarmhartig. De moderne mens leeft precies zoals Quichot,  zijn leven als verhaal belevend met een IK als hoofdpersoon. We zien niet dat er een geheel andere manier van leven mogelijk en heel dringend gewenst is.

daumier

Daumier ziet dat wel. Dat blijkt uit de liefde die hij voor de dolende ridder voelt, zijn gevoel voor diens tragiek, zijn mededogen. Ook hier zit dit in iedere streek; er worden geen feiten meegedeeld, maar een visie, een sfeer. Picasso zal ons moeten losschudden, maar Daumier laat warmte voelen, tragiek, verlorenheid. Hij heeft de ridder talloze malen tot onderwerp genomen, steeds weer op een nieuwe manier gefascineerd, demonstrerend dat men liefde voelen kan, voor een mens of mensheid die volledig de weg is kwijtgeraakt.

Voor een grotere versie van Picasso: klik hier.

Voor een grotere versie van Daumier: klik hier.