De roodheid binnenin je broodrooster

Hoe kun je leren nederig te zijn? Door te merken hoe heerlijk het is wanneer je het bent. Als je het niet bent, kun je je het niet voorstellen. Je kunt er dus ook niet naar streven. Je bent het alleen soms, heel even. Als je dat merkt, als je dat signaal opvangt, uit een andere wereld, dan is het zaad voor iets heel anders gezaaid. Dan kun je, zonder ongeduld, zonder forceren, wachten (maar niet passief, niet hopend) tot het opnieuw opkomt, en sterker wordt. Maar het blijft uiterste kwetsbaarheid, het wordt nooit iets om te hebben.

Van zijn genieten, dat is nederigheid. het wonder van het bestaan zonder opgeschroefdheid of hysterie, zonder kunstmatig enthousiasme, in alle eenvoud zien. Verbazing over in de wereld zijn. Zien dat wat je weet geen echte warmte of veiligheid geeft, maar wel dat wat je niet kunt weten, niet hoeft te weten, niet wilt weten. Weten is herhaling, en nieuwe is beleefbaar omdat het niet geweten kan worden.

Ga de realiteit niet met je arsenaal van meetinstrumenten te lijf, om er macht over uit te oefenen. Dan wordt de realiteit een dood ding, dat uit cijfers bestaat. Zie een bloem, de roodheid binnenin je broodrooster, de groene kleur van je computerscherm, terwijl je bij je eigen huis naar binnen kijkt. Alles waar je gegevens aan ontleent, bestaat echt! Je kunt er op een totaal andere manier naar kijken. Als je er maar niets aan wilt verdienen, niets aan wilt overhouden.

Maar ja, dat blijkt gigantisch moeilijk, zo bang zijn we. We menen altijd alles voor verbetering van onze toekomst te moeten doen, al het andere lijkt waanzin, onverantwoord. Dat ons leven, onze nu-echtheid, daarmee verdwijnt, in denkprocessen wordt opgelost, daar stappen we moeiteloos overheen.

Het wordt leuk. Dit is onze reddingsboei, waaraan we ons vastklampen.

Vooroordelen over onszelf

Een illusie is ook: een ware gedachte over onszelf. B.v. “ik ben egoïstisch”. Want zo zijn levende, bestaande mensen niet te beschrijven. Soms bèn je egoïstisch, soms helemaal niet. Zelfkennis is zien dat je doet wat je doet, zonder conclusies over wat je dus bent. Waarom zijn we zo dol op zulke vooroordelen over onszelf? Laten we toch gaan léven, dan merken we hoe we reageren: telkens weer anders. Iedere situatie is nieuw. Maar wanneer we per se uit eigenschappen willen bestaan, wordt iedere situatie een testcase voor dezelfde eigenschappen. Dan hebben we èn de situatie èn onszelf vereenvoudigd. Dan leven we als redenaars in een berekenbare wereld.

Creativiteit

Het denk-ik vervangt onze lijfelijke identiteit, dat wat deel uitmaakt van wat is, met zijn noblesse en wonderlijkheid, door een burgerlijk reken-ding, een angstillusie, met angstderivaten als gevoelens. Het vervangt onze natuurlijke vastheid en onfeilbaarheid door controleerbaarheid, onze warmte door strategie, onze vanzelfsprekendheid door argumenten. Vandaar onze behoefte aan erkenning, aan roem, aan winnen, aan rechten, aan dankbaarheid, aan rechtvaardigheid, aan pret, aan satisfactie, aan zelfrespect, trots, iemand-zijn, een onveranderlijke, bedenkbare identiteit.

Als die een beetje uit de hand loopt, noemt Horney het een “idealised self”. Maar ieder ik is een bedenksel. Iedere eigenschap die we menen te “hebben” blijkt in onze volgende of derde handeling afwezig. Het “realisme”: “Ik kan mooi pianospelen”, is ook bij de technisch goede pianist een illusie: als hij op dit weten vertrouwt, als hij dit idee nodig heeft, speelt hij niet goed, is zijn spel zinloos, onmuzikaal. Hij kan het zelf mooi vinden, bewonderd en toegejuicht worden, maar hij maakt toch geen werkelijk warm gevoel los. Weten “ik kan het” is totale burgerlijkheid, oncreatief!

Er bestaat geen “realistisch zelfbeeld” in de creatieve sfeer. Een in de technische, onmenselijke, mechanische sfeer is een zelfbeeld overbodig. De technicus hoeft voor zijn soldeerwerk zelden naar de psychiater. Het is zijn huwelijk waar hij over klaagt, of zijn relatie met zijn opdrachtgevers. (Dat het soldeerwerk daaronder kan lijden is een secundair effect).

Creatief moeten we zijn, wil ons leven niet zinloos zijn. Creatief betekent hier dat er ooit iets bij ons moet beginnen, dat we niet alleen een doorgeefsysteem van impulsen zijn. Een “fountainhead of creation” (D.H. Lawrence). Dat onze liefde zonder argumenten is. Dat we iets “laten zijn” wat niet te cultiveren is. Dat we kunnen lachen om iets dat onze gevestigde waarden omverschopt.

Het impulsieve is te wantrouwen. Hieraan ligt in de regel een onbewuste strategie ten grondslag. Cultiveer spontaniteit nooit! Anders geldt hiervoor hetzelfde. Alles wat cultiveerbaar is, is bedacht. (We kijken op metertjes, hoe ver de wijzer uitslaat).

De Goede Bedoeling is een cultiveerde van pseudo-spontaniteit. De eigenlijke functie van de Goede Bedoeling is altij om ons goede hart, ons mooie karaktertje te redden, ook bij wandaden.

Alleen verder?

“Fact” is bij Krishnamurti iets dat deel heeft aan de grote waarheid, een nog niet uit het geheel door het denken geïsoleerd feit. Ziet hij dit verschil in alle helderheid? Angstige gedachte, angstige vraag! Moet ik alleen verder?

The fact (b.v. Notebook p. 113) is het levende, ongeïsoleerde, niet ter manipulatie vastgestelde feit (maar het blijft eng). Ik zou aanbevelen hiervoor: “werkelijkheidsfragment” te gebruiken. Maar “feit” is wel veel korter.

Het heerlijke hopen

Uit zo’n folder: “… het heerlijke hopen kan beginnen.” Wat is hoop anders dan uitstel van leven totdat de werkelijkheid het gehoopte aspect bezit? Het “heerlijke” aan hopen is: leven mogen overslaan, leven niet beleven, niet meetellen. “O, als dit mocht uitkomen, dan …!”